Dachaulezing 2023 door minister Dijkgraaf

Omschrijving

Op woensdag 27 september 2023 hield minister Dijkgraaf (OCW) de Dachaulezing in de aula van de Radboud Universiteit in Nijmegen.

Verantwoordelijke Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Thema Onderzoek en wetenschap
Documentsoort Toespraak
Publicatiedatum 07-10-2023
Documentdatum 07-10-2023
Onderwerp Wetenschap


Goedemiddag,


Midden in het eeuwfeest van de Radboud Universiteit past het om ook bij de jaren van duisternis stil te staan.

Al zeer vroeg in haar bestaan kreeg deze universiteit de grootste en gruwelijkste beproevingen te verduren. Sluiting van collegezalen, vernietiging van gebouwen, vervolging en verlies van studenten en personeel.

Wij herdenken vandaag Titus Brandsma, hoogleraar van het eerste uur en later rector magnificus van de Roomsch Katholieke Universiteit Nijmegen. Eerder en scherper dan vele anderen voorvoelde Brandsma de gevaren van het nationaalsocialisme. Hij verzette zich openlijk en werd gevangen gezet in Scheveningen, Amersfoort, Kleef en Dachau, waar hij tot grote morele steun was voor zijn medegevangenen. Op 26 juli 1942 werd hij na zware mishandelingen vermoord in Dachau.

Zijn leven is met geweld afgesneden van de geschiedenis. Wat zou Brandsma nog hebben kunnen betekenen voor de universiteit, de kerk en het land, als de dreiging van het nazisme wel afgewend had kunnen worden?

Een prikkelende vraag, maar ook zinloos, zeker voor wie Brandsma beschouwt in het licht van diens naleven als zalige en heilige.

Schrijver Godfried Bomans studeerde bij Brandsma. Hij was getuige van een workaholic-karmeliet, een mysticus die God zag in alle mensen en in de hele schepping. Bomans schreef:

“Titus Brandsma was, zoals gewoonlijk heiligen zijn, een slecht nee-zegger. […] Hij woonde de vergaderingen bij van katholieke wasbazen, banketbakkers, turners en van het roomse rioleringswezen, er voortdurend op bedacht hun belangen in het licht van de eeuwigheid te zien en was voortdurend de enige in de zaal die het gezellig samenzijn vanuit die verrassende gezichtshoek bezag.”

Brandsma’s optreden en verzet op klaarlichte dag bezegelden zijn eigen lot in 1942, maar knaagden ook aan de macht van de nazi’s, totdat die finaal afbrokkelde. Dankzij Brandsma en vele, vele anderen verzetshelden kunnen wij vandaag vrijelijk onderzoeken, denken en spreken. Ik dank het Nederlands Dachau Comité voor de gelegenheid die u daartoe vandaag biedt aan mij, trots eredoctor van de Radboud Universiteit.

Beste mensen,

Voor deze Dachaulezing over wetenschap en over het maken van moeilijke keuzes wil ik met u een oversteek maken, niet alleen van Europa naar Amerika, maar ook van de wijsbegeerte en mystiek naar de natuurkunde en wiskunde. En zelfs van de biografie naar de cinematografie.

De oversteek brengt ons bij de Amerikaanse natuurkundige Robert Oppenheimer. In opdracht van de Amerikaanse regering werkte hij met zijn team in de Tweede Wereldoorlog onder hoge tijdsdruk aan de atoombom.

De 1e test in de woestijn van New Mexico en het inferno van Hiroshima en Nagasaki, slechts 3 weken later, betekenden niet alleen een waterscheiding in de wereldgeschiedenis, maar ook een blijvend vertrekpunt voor discussies over ethiek en wetenschap.

Deze zomer kwam de kaskraker Oppenheimer uit. Een moderne variant op het oude Frankensteinverhaal, waarin een wetenschapper een monster schept dat zich tegen hem keert. De film heeft overal in de wereld het debat over moraal en wetenschap nieuw leven ingeblazen, iets wat juist de kunsten vermogen.

In 1938 slaagden geleerden in Berlijn er als eersten in om atoomkernen te splijten. Wereldwijd zagen natuurkundigen daarmee de weg geopend naar de ontwikkeling en productie van kernwapens. Amerika vreesde, niet ten onrechte, dat Duitsland daarin als eerste zou slagen.

Maar dat was buiten Hitlers antisemitisme gerekend. Want hij haatte niet alleen de Joden, maar ook wat hij de ‘Joodse natuurkunde’ noemde: de ‘entartete’ relativiteitstheorie en kwantummechanica van Einstein. Precies die nieuwe inzichten maakten voor Oppenheimer en zijn team, onder wie veel uit Europa gevluchte Joodse wetenschappers, de atoombom mogelijk.

Het is de ironie van de boemerang. Het antisemitisme van de nazi’s bespoedigde zowel hun wetenschappelijke als hun militaire aftocht.

Oppenheimer dacht dat de wereld zó zou schrikken van het kernwapen dat de 1e ontploffing tevens de laatste zou zijn. Dat pakte anders uit. President Truman zette zijn nucleaire ambities door. De klap die de Tweede Wereldoorlog beëindigde, was tevens het beginsignaal van de Koude Oorlog.

De film Oppenheimer brengt een paar keer het academische Arcadia in beeld van het naoorlogse Institute for Advanced Study in Princeton. We zien Einstein bij de vijver.

We zien hoe Oppenheimer met zijn rug naar de directeurswoning van het instituut staat en vooruitkijkt, waar aan het einde van een lange bomenlaan het hoofdgebouw oprijst: rode baksteen, een witte toren met een koperen spits. “Deze wandeling naar het werk zal je bevallen”, klinkt het verleidelijk. Oppenheimer hapt toe en wordt in 1947 directeur van het Institute.

Tot ik minister werd was deze groene bomenlaan ook mijn wandeling naar het werk. 10 jaar liep ik in de voetsporen van Oppenheimer, woonde in hetzelfde huis en werkte in dezelfde kamer. Vlak na de oorlog werkten daar op 1 gang 3 van de grootste wetenschappers van de 20e eeuw naast elkaar. Albert Einstein, John von Neumann en Robert Oppenheimer.

3 genieën die elk op hun manier de wereldgeschiedenis hebben doen verschuiven, maar ieder een heel eigen en onderscheiden standpunt innamen ten opzichte van kernwapens. Ik presenteer ze vandaag, enigszins gechargeerd, als zinnebeeld van de morele houdingen die je kunt innemen in wetenschap en technologie.

Albert Einstein gaf weliswaar met zijn brief aan president Roosevelt het startschot van het Manhattan Project, maar in de naoorlogse jaren was hij toch vooral de grote man van de vredesbeweging. Hij stond principieel afwijzend tegenover de ontwikkeling van kernwapens en legde zijn hoop voor wereldvrede in handen van de internationale gemeenschap.

De wiskundige alleskunner John von Neumann daarentegen was de ultieme cold warrior. Zijn redenering was: als iets wetenschappelijk mogelijk is, zijn wetenschappers moreel verplicht om die technologie maximaal te ontwikkelen. Als vader van de speltheorie kwam hij met zijn wiskundige brein tot de onontkoombare conclusie dat de VS een verrassingsaanval moesten plegen tegen de Sovjetunie. Hij zei: "Als jij voorstelt om morgen te bombarderen, zeg ik: waarom niet vandaag? En als je voorstelt: vandaag om 5 uur, zeg ik: waarom niet om 1 uur?"

En dan Robert Oppenheimer, de tussenfiguur. Hij geloofde in de wetenschap en haar kracht om ons verder te brengen, maar kreeg berouw en verzette zich tegen verdere toepassingen van zijn uitvindingen. Dat maakt Oppenheimer tevens de meest geknakte en verscheurde van het drietal.

Bij nagenoeg elk ethisch vraagstuk over technologie heb je de Einsteins die zeggen dat je er überhaupt niet aan moet beginnen, omdat je de gevolgen niet kunt overzien.

Er zijn de Von Neumanns die vinden dat je als wetenschapper moreel verplicht bent om alles te ontwikkelen wat kan.

En dan zijn er tot slot de Oppenheimers, die de moeilijk begaanbare middenweg tussen de duivelse dilemma’s blijven zoeken.

Of het nu gaat om artificial intelligence, het knippen en plakken van dna met moderne technieken als CRISPR-Cas, of het ontwikkelen van kwantumtechnologie, in publieke discussies zijn de extreme standpunten telkens het scherpst gearticuleerd. Waarschuwend en gesloten als Einstein aan de ene kant en open en naïef als Von Neumann aan de andere kant.

Het pad daartussen lijkt steeds smaller en onbegaanbaarder te worden. En toch denk ik dat die middenweg, met alle haarspeldbochten en valkuilen, de enige realistische optie is. We kunnen technologie niet tegenhouden en willen dat ook niet. We hebben haar meer dan ooit nodig. Maar we kunnen haar ook niet ongebreideld haar gang laten gaan. We bevinden ons tussen de natuur die ons terugslaat met rampen, klimaatverandering en epidemieën, wat vraagt om snelle actie, en de virtuele wereld die opmarcheert met algoritmes en zelflerende en zelfbeslissende systemen, wat we ook niet passief kunnen laten gebeuren.

Ik wil vandaag daarom een pleidooi houden voor de moeilijk begaanbare dunne richel van de vooruitgang. Het is een steile bergkam met diepe afgronden aan beide zijden.
Dit vraagt evenwichtskunst, voortdurend balanceren tussen naïviteit en paranoia.

Allereerst verken ik de route en de afgronden verder. Daarna zoom ik in op het reisgezelschap dat over de richel trekt. Ten slotte kijk ik naar het belang van een goede timing.

1.

Allereerst dus de route.

Met compromissen is het lastig punten scoren. Met ‘enerzijds, anderzijds’ maak je slechte krantenkoppen. Het ingewikkelde genuanceerde verhaal sneeuwt eenvoudig onder. Veel gemakkelijker is het om in praatprogramma’s, opiniestukken en Kamerdebatten voor 1 van de 2 tegenpolen te kiezen. Die polen versterken elkaar bovendien. Ze laden zich aan elkaar op in een vonkenregen van knetterende polarisatie.

Een minister van een coalitiekabinet binnen een democratisch bestel kan niet verblijven op een van die polen. Per definitie is de aangewezen route de middenweg. Dat klinkt als gemakkelijk, allemansvriendje willen zijn, pappen en nathouden. Maar het is de minst comfortabele positie, omdat je juist in het midden alle krachten aan je voelt trekken, links of rechts de ideologische diepte in.

Voormalig Denker des Vaderlands en Radboudiaan Paul van Tongeren heeft uitgelegd dat het gulden midden bij Aristoteles allesbehalve middelmatigheid is. Het is juist de moed, de deugd die zit tussen de tegenpolen van roekeloosheid en bangheid. Het midden is ook niet een punt op de schaal van roekeloos naar bang, maar een punt op een verticale as die daar haaks op staat – een optimum. Op die as kun je jezelf verbeteren. Dan pas krijgt het midden z’n gulden randje.

In het maatschappelijke en politieke debat worden morele en ethische overwegingen vaak heel principieel geponeerd. Bij fundamentele waarden als mensenrechten kun je en moet je ook heel zwart-wit en compromisloos zijn. Maar technologie en wetenschap zijn moreel en ethisch gezien ingewikkelder.

Was de ontwikkeling van kernwapens goed of slecht? Het antwoord ligt eigenlijk nog steeds open. Aan de ene kant steekt het spookbeeld van een nucleair Armageddon regelmatig de kop op, zoals recent opgeroepen door Poetins onbezonnen retoriek. Aan de andere kant hebben we na Hiroshima en Nagasaki niet meer de vernietigingsoorlogen tussen supermachten gezien die in de eerste helft van de 20ste eeuw de levens van tientallen miljoenen onschuldigen hebben gekost.

Momenteel is AI een dankbaar object voor zowel utopieën, waarin alles kan en geweldig is, als dystopieën, waarin de machines de macht compleet overnemen.

Domme robots versus superbreinen. Ook nu blijkt het lastig om tegelijkertijd zowel de kansen als de gevaren te zien. We willen met AI niet zonder rem zo hard mogelijk de berg af. Maar je wilt en kunt de ontwikkeling ook niet stoppen.

Vooruitgang is geen rechte lijn, maar een hortende, stotende en slingerende beweging. Titus Brandsma zou misschien hebben gezegd: een processie van Echternach – 3 stappen vooruit en 2 achteruit.

Vooruitgang is niet een lineair groeiproces, maar al te vaak een serie van correcties op correcties. Nu steeds heftiger zichtbaar wordt welke schade fossiele brandstoffen aanrichten, kan het antwoord niet zijn dat we dan maar moeten stoppen met technologie. Nee, we moeten meer, andere, geavanceerdere en krachtiger technologieën en energiebronnen ontwikkelen. Die we dan niet argeloos zullen omarmen of roekeloos verspreiden. Want als vooruitgang correctie is, kunnen we ook steeds beter de belangen van natuur en mensenrechten laten meewegen.

De gevaren worden ondertussen zowel groter als kleiner. Om de allereerste atoombom te maken was nog een gigantisch industrieel complex nodig, vol met ultracentrifuges en kerncentrales. Het Manhattan Project vroeg zo’n 130.000 medewerkers en een budget van wat nu 25 miljard dollar zou zijn. Voor biologische wapens volstaat een enkel laboratorium dat gemakkelijk in een garage past. Een gevaarlijk algoritme maak je op een laptop en leeft onzichtbaar in de cloud.

In de strijd tussen Oekraïne en Rusland worden momenteel kolossale oorlogsschepen en ‑vliegtuigen uitgeschakeld door handzame drones van een paar duizend euro. De volgende stap in miniaturisatie tekent zich daar ook al af: AI-drones die vijandelijke doelen kunnen lokaliseren.

Ook het strijdperk verlegt zich dus naar de kunstmatige wereld. Strijdkracht wordt rekenkracht. Kwaadaardige algoritmes worden verslagen door nog slimmere algoritmes. Het antwoord op de dreiging van technologie luidt steevast: nog meer technologie.

Het hedendaagse wetenschappelijke onderzoek stelt ons niet teleur. Het legt complexere verbanden, introduceert abstractere begrippen, vindt preciezere details, onthult werelden die we niet eerder hebben gezien en vaak slechts met moeite kunnen bevatten.

In deze wolk van complexiteit verdwijnt de wetenschap gemakkelijk uit het zicht van beleidsmakers. Ze kunnen niet op de tast op de smalle richel lopen. Ze zoeken gezelschap van mensen die hen kunnen gidsen en met het licht van hun inzichten bijschijnen. Mijn 2e punt gaat daarover.

2.

John von Neumann schreef in 1955, 2 jaar voor zijn overlijden, het artikel Can we survive technology? Het grootste deel van dat stuk gaat niet over kernwapens, maar over klimaatverandering. Inderdaad, toen al. Von Neumann schetst het gevaar van ‘global climate control’, wat we tegenwoordig ‘geo-engineering’ zouden noemen. Hij voorspelt: als we daarmee het klimaat kúnnen beïnvloeden, zúllen we dat ook doen. En dan zullen we het vervolgens ook als wapen inzetten.

Daarmee vergeleken is nucleaire oorlogsvoering maar klein bier, redeneert Von Neumann. In zijn woorden zal het klimaat “de belangen van landen ingrijpender verstrengelen dan de dreiging van een nucleaire of welke andere oorlog”.

Lang leek geo-engineering sciencefiction, of een paardenmiddel voor communistische regimes om de hemel boven hun glorieuze parades wolkenloos te schieten. Maar twee weken geleden berichtte de internationale Climate Overshoot Commission dat het inmiddels mogelijk is: met technologische middelen zonlicht tegenhouden en zo de opwarming van de planeet dempen. Een geschenk uit de hemel of een pervers excuus om de uitstoot niet te hoeven verminderen? De commissie pleit – en dat klinkt bekend – zowel voor een moratorium als voor meer onderzoek.

Von Neumann besluit zijn artikel Can we survive technology? hoopvol. Opvallend genoeg schenkt hij niet de wiskunde, maar de mens zijn laatste vertrouwen. Hij schrijft:

“De mens lijkt een aangeboren vermogen te hebben om erdoorheen te komen […]. Vooraf het volledige recept vragen zou onredelijk zijn. We kunnen alleen de vereiste menselijke kwaliteiten specificeren: geduld, flexibiliteit, intelligentie.”

Ik zeg het hem na. Geen chatbot kan op tegen deze menselijke superkrachten, waartoe ik ook de creativiteit reken en de kracht van samenwerking, waarover dit 2e punt gaat.

Overheid en wetenschap werken vaak nog langs elkaar heen. Oppenheimer bijvoorbeeld begreep alles van de complexe processen van kernreacties, maar bar weinig van de politiek. Hij leek oprecht verbaasd dat de beslissing over de bom, over het hoe en waar, en over de verspreiding van de nucleaire kennis niet meer in zijn handen lag.

Die naïviteit zie ik vaker bij wetenschappers. Zij beheersen het complexe proces aan hun eigen zijde volledig, maar hebben nooit beseft of ervaren dat ook wet- en regelgeving en het politieke proces complex zijn. Door deze wederzijdse rookgordijnen raken wetenschap en beleid het zicht op elkaar gemakkelijk kwijt. Toch is de complexiteit er in beide gevallen om goede redenen.

De wetenschap is complex omdat we zo de details zo goed mogelijk willen begrijpen. Vaststellen of een wetenschappelijk resultaat waar is, betekent in mijn vakgebied, de deeltjesfysica, dat de kans dat een resultaat op toeval berust niet groter mag zijn dan 1 op 2 miljoen. Dat gaat over 6 cijfers achter de komma.

Niemand zal van de politiek vragen dat de kans dat het misgaat kleiner is dan 1 op 2 miljoen. Maar beleid kent wel zijn eigen 6 cijfers achter de komma. Dat zijn alle stappen die je door moet om van het wetenschappelijk advies te komen tot een wet gepubliceerd in het Staatsblad.

Ik noem een paar stappen en hoop maar dat het u niet gaat duizelen. Wat vindt het veld? Wat vindt het departement? Wat vinden andere departementen? Wat vinden de adviesorganen? Wat vindt de onderraad – zeg maar de voorwas van de Ministerraad? Wat vindt de Ministerraad zelf? Wat zeggen de uitvoeringstoetsen? Wat de Raad van State? De Tweede en Eerste Kamer? De media? En ten slotte, werkt het ook zoals bedoeld in de praktijk?

Kortom, de beleidskant kent zijn eigen complexiteit. En ook die bestaat om goede redenen. Ze maakt de overheid onderworpen aan de wet, beschermt burgers tegen machtsmisbruik en willekeur, en verankert het democratische proces.

We hebben eerder geconstateerd dat beleidsmakers reisgezelschap nodig hebben om over de smalle richel van de vooruitgang te kunnen lopen. Wetenschappers die de contouren kunnen ontwaren van een pad vooruit in de mist van onwetendheid. En net zo goed hebben wetenschappers baat bij beleidsmakers die hen door het doolhof van de rule of law leiden, zodat ze impact kunnen maken.

Hoopgevend hierbij is dat aan de kant van de wetenschap er steeds meer samenwerking komt tussen de verschillende disciplines. In de 1e helft van de 20e eeuw was het idee van de "eenheid van wetenschap", met bruggen tussen alle disciplines, in zwang in Europa en Amerika. In 1956 hield Robert Oppenheimer een rede over de eenheid van wetenschap. Eenheid zag hij ten 1e “in een zekere orde in de kennis die in zo'n angstaanjagend onmenselijk hoog tempo tot ons komt”. Maar eenheid zag hij in nog iets anders:

“We kunnen bij elkaar aan tafel gaan. Individueel, of in gesprek met elkaar, creëren we weliswaar geen allesomvattend wetenschappelijk bouwwerk, maar wel een immens, ingewikkeld netwerk van intimiteit, verlichting en begrip. In de wereld waarin wij leven kan niet alles met alles verbonden zijn. Maar alles kan wel met iets verbonden zijn.”

Het lijkt alsof we in onze tijd dichter komen bij deze oude droom van de eenheid van wetenschap. Nu niet vanuit een wetenschapsfilosofisch verlangen, maar als een spontaan gevolg van de voortschrijdende zoektocht naar kennis, die steeds meer over de grenzen gaat van de sterk verkavelde wetenschapsdisciplines. Neem bijvoorbeeld de stikstofkwestie, die scheikunde en biologie met recht, planologie en gedragswetenschappen verbindt. Of de coronapandemie waar ook de inzichten van de communicatiewetenschap, de psychologie of de fysica van aerosols relevant bleken te zijn.

Ook de kant van de overheid kent nog te veel zijn eigen verkavelde structuur. In beleid en bestuur moeten we veel meer multidisciplinair leren denken, de beleidsdomeinen en departementen onderling verbinden, met oog voor het totaalplaatje.

Ruilverkaveling dus, zowel in wetenschap als beleid, en meer tweerichtingsverkeer tussen beide. En dan nog zijn we er niet. Want de grootste en spannendste ontwikkelingen, bijvoorbeeld in AI, spelen zich allang buiten de domeinen van overheid en wetenschap af. Het zijn de technologiebedrijven die de middelen, de dataservers en de rekenkracht hebben. Terwijl wij in deze aula gerieflijk delibereren over moraliteit en wetenschap, zetten buiten de grote bedrijven alweer een stap verder.

Hoe zorgen we ervoor dat we ook hen betrekken bij onze trektocht over de richel? Dat kunnen we heel praktisch aanpakken. Dit kabinet denkt aan flexibele, informele teams vanuit beleid, wetenschap, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties, die in real time advies kunnen geven rond urgente thema’s. Hier zou AI de topprioriteit moeten zijn. Maar ook op veel andere thema’s zullen we merken dat vooruitgang teamwerk is.

Daarin verschilt onze tijd radicaal van de jaren ’40. Die waren totaal niet inclusief. Naar de samenleving luisteren kwam zelfs niet op in de experts, de presidenten, generaals en hoogleraren. De wetenschap was toen zonder enig excuus elitair en op zichzelf gericht.

De samenleving betrekken in het gesprek over normen en over vooruitgang: dat is wel het doel van de Nationale Wetenschapsagenda. En ook de gedachte achter de oprichting van het Nationaal expertisecentrum voor wetenschap en samenleving. Daar is straks alle kennis en expertise beschikbaar over het effectief engageren van wetenschap en samenleving en het bevorderen van de onderlinge dialoog. Een samenleving die meepraat over morele en ethische kwesties in de wetenschap is een principiële noodzaak om op een verantwoorde wijze de weg voorwaarts in technologie te vinden. Zo bereik je wetenschap van, met en voor de samenleving.

Steeds meer mensen schuiven dus aan en dat is goed. Wel moeten ze de klokken gelijkzetten om ervoor te zorgen dat ze tezamen kunnen beginnen. Zoals ik in mijn 3e punt zal duidelijk maken, komt het aan op een perfecte timing.

3.

Vaak voeren we morele en ethische discussies pas achteraf, als de geest allang uit de fles is. De discussie over de verspreiding van nucleaire technologie en de rol van de internationale gemeenschap kwam pas op gang na Hiroshima en Nagasaki. Spijt over technologieën komt te vaak achteraf.

Michail Kalasjnikov werd op zijn sterfbed geteisterd werd door de gedachte dat hij persoonlijk verantwoordelijk was voor elk leven dat zijn geweer had opgeëist.

Alfred Nobel berouwde zijn uitvinding van dynamiet. Wel wist hij zijn naam vrij succesvol te zuiveren door een niet onbekende wetenschapsprijs in te stellen.

Dit jaar nog sloot Geoffrey Hinton aan in de rij van spijtoptanten. De oud-medewerker van Google en een van de grondleggers van AI waarschuwde: AI kan onze samenleving ontwrichten, en zelfs ons menszijn.

In het beste geval loopt de discussie over de moraal synchroon met de ontwikkeling van technologie. En daarom moet de wetenschap tijdig momenten creëren waarop de samenleving kan meepraten.

Ik beschreef eerder de onbekendheid van veel wetenschappers met de complexiteit van de beleidskant. Als gevolg daarvan is de timing van wetenschappelijk advies vaak ook ongelukkig en arbitrair. Advies komt te vroeg of te laat, zelden op het juiste moment, als beleid nog niet uitgehard is. Als de wetenschap volstrekt eigenstandig het moment bepaalt waarop zij advies uitbrengt, organiseert ze haar eigen teleurstelling en gemiste kansen.

Ook aan de kant van de politiek geldt het belang van het juiste moment. Om de AI-ontwikkelingen niet uit zicht te verliezen, moet ze mee in de demarrage. Een tempo kiezen dat ze niet gewend is.

Bij veel onderwerpen geldt de wetmatigheid dat een overheid die nu slap reageert, straks harder op de rem moet trappen. Op tijd handelen vraagt moed van politici, omdat dit electoraal gezien vaak niet het juiste moment is.

In het verleden heeft de overheid op grote onderwerpen als klimaatverandering niet altijd met de gewenste urgentie gehandeld.

Anderzijds gaf de officiële wetenschap zichzelf in het klimaatvraagstuk nog te veel rekenschap van een kleine groep sceptici. De waarschuwing vanuit de wetenschap had feller en beslister moeten klinken.

Nu dat geluid wel luid en duidelijk klinkt, is het oppassen voor doorslaan in alarmisme. De betrouwbaarheid van de individuele wetenschapper en van de wetenschap als geheel staat continu op het spel. Geen institutie scoort zo hoog op maatschappelijk vertrouwen. Dat is een groot goed. Maar voorzichtigheid is geboden. Immers, als het vertrouwen verdwijnt, op het spreekwoordelijke paard, verliest de wetenschap ook haar impact.

Het is voor wetenschappers dus laveren tussen de zeemonsters Scylla en Charibdis: tussen enerzijds een te activistische betrokkenheid en anderzijds een te afstandelijk isolement. Niet opgeslokt worden door de draaikolk van de politiek, noch opgesloten in de ivoren toren van de academie.

Beste mensen,

Laten we voor mijn conclusie nog eenmaal terugkeren naar het drietal geleerden uit Princeton: Einstein, Von Neumann en Oppenheimer. Achteraf hebben ze allemaal kritiek gekregen op hun positie.

Einstein vanwege zijn naïef internationalisme. Von Neumann voor zijn morele blindheid. Maar niemand die zo verscheurd werd door kritiek, zelfkritiek ook, als Oppenheimer. Hij zou niet loyaal zijn geweest en het nationale belang niet hoog hebben gehouden. Het verwijt dat hij een communistische spion was, bleef aan hem kleven. Pas eind vorig jaar zuiverden de Verenigde Staten hem officieel van alle blaam. Het andere verwijt, in vele films, opera’s en boeken gedramatiseerd, was dat hij een morele zonde had begaan. Als een Prometheus stal hij het vuur van de goden en gaf het aan de mensen.

Voor de man die te veel geschiedenis op zijn schouders droeg, was de middenweg een lijdensweg. En toch is het volgens mij de enige weg. Nieuwe technologieën zowel begroeten als verstandig toepassen voert je over een smalle richel naar een steeds betere wereld.

Deze middenweg lijkt soms een gemakzuchtige keuze, maar brengt je juist midden in conflict en strijd. In mijn ogen is het zelfs de opdracht voor iedere bestuurder om jezelf maximaal aan alle maatschappelijke krachten bloot te stellen, hetgeen niet hetzelfde is als je door die krachten te laten leiden. Democratie is de plek van onenigheid, in de woorden van Maxim Februari. Die ook zegt: “praten, schrijven, nadenken, argumenteren, rechtvaardigen: dat is de praktijk van de menselijke moraal”. Om met Oppenheimer te spreken: laten we met elkaar aan tafel gaan.

In die zin is het hoopgevend dat Einstein, Von Neumann en Oppenheimer elkaar iedere middag bij de thee spraken. Ondanks alle meningsverschillen waren ze het tenminste eens over de wetten van de wetenschap.

Beste mensen,

Het open gesprek in onze samenleving over moraal en wetenschap is mogelijk dankzij voorvechters van de vrijheid als Titus Brandsma. Hijzelf schoof aan ontelbare tafels aan. Hij was immers, wederom volgens Bomans, ‘‘de enige mysticus op het vasteland van Europa die een algemeen treinabonnement bezat en in treincoupés zalig is geworden.” Overal legde hij op natuurlijke wijze contact met de samenleving. Bomans zag wel dat zijn colleges daaronder leden. Hij schreef: “Het waren de splinters van de plank die hij elders zaagde, maar ik ging er toch heen, omdat hij zo oprecht meende wat hij zei.”

Dankzij het Nederlands Dachau Comité blijft de herinnering aan slachtoffers en overlevenden van concentratiekamp Dachau levend. Laat ons antwoord op hun onbeschrijfelijke leed vastbesloten blijven "dat nooit weer". En laten hun geest en moed ons blijven inspireren bij de vraag "hoe samen vooruit?"

Ik wens de Radboud Universiteit ook voor de volgende eeuw een open, vrije, verbonden positie in de samenleving toe. Dan lopen we, gebruikmakend van uw inzicht, wijsheid en moed, samen verder over de smalle richel van de vooruitgang.

Publicaties