Toespraak van minister Van Engelshoven bij Opening Academisch Jaar 2020-2021

Omschrijving

Minister Van Engelshoven sprak bij de opening van het academische jaar op de Radboud Universiteit, op 31 augustus 2020.

Verantwoordelijke Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Thema
  • Ziekten en behandelingen
  • Hoger onderwijs
Documentsoort Toespraak
Publicatiedatum 31-08-2020
Documentdatum 31-08-2020
Onderwerp Coronavirus COVID-19

Beste mensen,

Toen ik hier in de jaren ’80 studeerde zag de stad er stukken anders uit dan nu. En als ik eerlijk ben: het is er tien keer mooier op geworden in de tussentijd.

Plein ‘44 lag er destijds droevig bij. De Tweede Waalbrug was nog verre toekomstmuziek. En de campus was nog lang niet zo compleet als vandaag.

Ook de politiek en het publieke debat van die tijd kenden aardig wat verschillen met nu. In Europa waren Oost en West nog gescheiden. De meest vurige politieke discussie in ons eigen land ging over het gevaar van kernwapens. En de premier van dat moment, Ruud Lubbers, kon nog niet vermoeden dat hij de langstzittende leider van ons land kon worden.

Toch zijn er ook genoeg parallellen tussen de jaren ‘80 en nu. Ook Lubbers regeerde in een crisis. Hij sprak over een samenleving die in de winter terecht was gekomen. Er waren grote zorgen om de economie, de jeugdwerkloosheid was hoog. Een deel van de jongeren keek met weinig hoop naar de toekomst. En ook toen was er een raadselachtige ziekte, een levensgevaarlijke aandoening waar we weinig van wisten.

Aids.

Vanuit de overheid werd net als nu geprobeerd om het gedrag van mensen te sturen. En inmiddels, flink wat zieke en overleden mensen later, is er een behandeling die zorgt voor perspectief. Dat heeft lang geduurd en het heeft in de tussentijd veel van mensen gevraagd.

Zoals Corona nu veel vraagt van óns. Wanneer we in alle rust kunnen reflecteren op de pandemie, dat weten we nog niet. We weten wél, dat wat afgelopen voorjaar begon, ook de komende tijd het ritme van ons dagelijks leven bepaalt.

Op dit moment start ieder nieuw begin, ‘in coronatijd’. Ook studeren, lesgeven of onderzoek doen. En dat is anders dan voorheen.

Ik weet nog goed hoe ik zelf hier in Nijmegen begon, op m’n 18e.

Na m’n middelbare school in België, waar m’n vader werkte, kwam ik hier Politicologie studeren. Deze dag, de Opening Academisch Jaar, was toen nog in het centrum, vlakbij de Oranjesingel, waar ik woonde. Het was het jaar 1984, en toenmalig minister Deetman van Onderwijs had plannen om de basisbeurs in te voeren. Iets meer dan 260 gulden per maand voor thuiswonende studenten, en ruim 600 gulden wanneer je op kamers ging.

Geloof het of niet, heel veel studenten waren massaal tégen. Die van ouders met een kleine portemonnee vonden het bedrag te laag, en dat studenten van rijke ouders óók een beurs kregen, werd schandalig gevonden.

Hier, in 1 van de meest linkse steden van het land, wisselden colleges en demonstraties over allerlei maatschappelijke vraagstukken elkaar af. Dat was nieuw voor me.

Ik was in België opgegroeid, ging daar verplicht in uniform naar school, en weet nog dat ik me afvroeg of ik in een nette rok naar college moest.In m’n meest brave outfit belandde ik er tussen de krakers en de hanenkammen, maar ontmoette er ook Hubert Bruls en Paul Depla voor het eerst.

Tijdens colleges van een icoon van deze universiteit, Leon Wecke, ontleedden we de retoriek van de Koude Oorlog. En bij argumentatieleer lazen we kritisch de Telegraaf, omdat die volgens docent Grahame Locke zo geschikt was om zwakke redeneringen in te ontdekken.

Hoewel de aard van de stad misschien wat linkser was dan ikzelf, voelde ik me hier snel thuis. In de gebouwen van de Thomas van Aquinostraat liep je door de lelijkste gangen van Nederland naar je colleges, maar het was wel jóuw gang naar college. Ik denk er nog steeds met veel plezier aan terug.

Ik snap dan ook goed de teleurstelling van de 18-jarige Luke De Bakker, die hier komend jaar Europees Recht gaat studeren, en vandaag in de zaal zit.

Ze vertelde, en ik citeer:

‘Het klinkt misschien een beetje nerdy, maar ik heb veel zin om die collegezaal van het Grotiusgebouw in te lopen. Tijdens de middelbare school ben ik er al geweest. Maar toen had ik het gevoel: dit klopt nog niet. Nu is dat anders. Ik zie mezelf daar al zitten. Dan begint het écht.’

Luke, hoewel het begin van je studie er anders uit ziet dan verwacht, vertelde je dat je gelukkig een leuke introductieperiode had. En ik ben opgelucht dat er een aantal activiteiten fysiek door kon gaan. Maar het blijft een schrale troost. Het is zuur om jou en al die andere studenten teleur te stellen, doordat er van alles nog niet mag.

Ik doe hier vandaag daarom een oproep aan jullie allemaal, specifiek de eerstejaars:

Jullie zijn nu begonnen aan het academische leven. Het kloppend hart van dat leven is het contact met je medestudenten en docenten.

Ik weet dat er op alle universiteiten enorm goed is nagedacht over protocollen en regels. En er zijn fantastische voorbeelden van online onderwijs.

Maar zoek daarnaast alsjeblieft, binnen de kaders van wat mag, een manier om ook fysiek bij elkaar in de buurt te zijn.Dat is een belangrijke voorwaarde voor een goede start en een fijn verloop van je studie.

Gelukkig zie ik dat hier in Nijmegen de verbondenheid van de academische gemeenschap goed wordt bewaakt. De universiteit huurt ruimtes in De Vereeniging en de Stadsschouwburg, om toch fysiek college te kunnen geven.

Het is mooi dat het bestuur de contracten van haar mensen verlengt, als hun werk vertraagd of onderbroken is door de crisis. En het meest onder de indruk ben ik van al die docenten die keihard hun best doen om meer te zijn dan een gezicht op een scherm.

In alle bezoeken die ik heb afgelegd was het indrukwekkend om te zien hoe creatief docenten de afgelopen tijd het online onderwijs hebben ingericht. Het kost veel energie, maar het motiveert óók. Ik heb grote waardering voor jullie werk.


Het verhaal van Erika van Elsas is een mooi voorbeeld.

In maart begon ze. Ze geniet op dit moment van een verdiende vakantie, maar vertelde eerder over haar start aan de Radboud.

Haar 1e werkweek was nog op de campus, maar aan het eind van week 2 werkte ze vanuit huis. Ze kende nog niet eens al haar collega’s.

In korte tijd bedacht ze een manier om haar vak, toegepaste statistiek, online te verzorgen. Erika denkt dat de manier waarop ze nu lesgeeft nog zeker een half jaar duurt. En ik vrees dat ze gelijk gaat krijgen.

Daarom vind ik het zo fantastisch om te horen hoe zij, net als zoveel andere collega’s uit het land, niet bij de pakken neer zit. Ze deelde haar studenten op in kleine digitale groepen, en bezocht ze stuk voor stuk. Ze deelden hun scherm, kregen persoonlijke feedback, en Erika zei dat er misschien juist wel zo hard is gewerkt, omdat studenten niet wisten wanneer ze digitaal zou binnenvallen…

Het is een mooi voorbeeld van hoe je met alle beperkingen, toch dicht bij je studenten bent. En het is keihard nodig dat u allemaal op deze en andere manieren met elkaar in verbinding blijft.

Van een verbonden academische gemeenschap, profiteert het hele land. De wetenschap, [u dus], brengt ons al honderden jaren vooruitgang, en was zelden zo leidend in een crisis.

Laten we dat vasthouden.

Ondertussen hebben we ook perspectief nodig. Een vooruitzicht dat verder reikt dan: ‘we weten steeds meer over het virus en werken hard aan een vaccin.’

Begrijp me niet verkeerd, ik ben de Nijmeegse pathologen dankbaar voor het delen van hun data. Ik steun uw Radboud-collega’s die onderzoek doen naar het ziektebeeld, en de werking van TBC-vaccins uit het verleden. En ik ben blij dat artikelen over corona tot twee keer zo snel worden gepubliceerd. Maar ik hoop dat er dit najaar ook meer ruimte komt voor de brede wetenschap om het kabinet te adviseren welke kansen er liggen om de wereld ná corona beter, duurzamer, en gezonder te maken. 

Daarbij rijst ook de vraag hoe we in het hoger onderwijs en de wetenschap zelf, deze crisis aangrijpen om verbeteringen door te voeren. Vóór corona waren instellingen al hard op weg om de onderlinge concurrentie te verkleinen, met meer focus op de kwaliteit van het onderwijs.

Er wordt hard gewerkt aan een betere balans tussen de 1e en 2e geldstroom. En het wordt steeds duidelijker dat er voor eens en voor altijd iets moet veranderen in de manier waarop we wetenschappelijk werk waarderen, om zo echt het beste uit onze academici te halen.

De Nederlandse Hogeronderwijspremie die dit voorjaar door mij wordt uitgereikt, moet hét symbool voor de gelijke waardering van onderwijs en onderzoek worden.

Maar er zijn meer thema’s die onder dwang van het virus in een stroomversnelling komen:

  • De aandacht voor werkdruk voor docenten en onderzoekers, bijvoorbeeld.
  • Open Science krijgt een ongekende impuls.
  • Het belang van een leven lang ontwikkelen wordt onderstreept.
  • En we zien dat kleinschalig, fysiek onderwijs een groot goed is.


Op de korte termijn kunnen we op deze terreinen mooie stappen zetten. Maar voor de langere termijn is er meer gevraagd. Corona heeft nog maar eens bevestigd dat het grootste kapitaal van de Nederlandse wetenschap, haar mensen, jarenlang te weinig zekerheid is geboden.

Een bekostigingsmodel dat steeds stabieler wordt, moet wat mij betreft hand-in-hand gaan met meer vaste contracten. Daarnaast moet eind dit jaar een aantal onderzoeken af zijn, waarmee we de kaders van een nieuw bekostigingsmodel kunnen schetsen.

Dan hebben we na jaren debatteren eindelijk een maatstaf waarmee we kunnen zeggen:

  • dit is wat goed onderwijs en onderzoek kost,
  • op deze manier kan het geld het beste verdeeld worden,
  • en zó kunnen universiteiten en hogescholen aan de samenleving tonen dat het geld goed terecht komt.

Dan kan, na de honderden miljoenen die dit kabinet heeft geïnvesteerd in wetenschap en hoger onderwijs, een volgend kabinet minimaal hetzelfde doen. 

En hoewel extra investeringen noodzaak zijn, heb ik ook een andere zorg.

Als ik voorbij de dagelijkse grafieken met besmettingen en ziekenhuisopnamen kijk, en de impact van het virus op onze gezondheid even parkeer, dan vrees ik de kracht die het virus heeft om mensen te verdelen. Niet alleen langs lijnen van ziek en gezond. Sluimerend, op de achtergrond, kan corona mensen verdelen langs klassieke scheidslijnen van inkomen en afkomst.

Het mag niet zo zijn dat je als kind uit een familie waar ouders hun baan kwijtraakten, straks moeilijker de universiteit of hogeschool bereikt. Ook als corona voorbij is moeten we manieren bedenken om gelijke kansen te creëren.

Dit is het moment om te reflecteren op wat de universiteit is, zou kunnen zijn, en daar ook naar te handelen.

Beste mensen,

Aan het begin van mijn verhaal vertelde ik u over de verwachtingen van Luke en Erika. Hoe lastig het voor hen, voor u, en voor iedereen nu is om verwachtingen bij te stellen, toch lukt het ons.

Met uitgestelde dromen kunnen de meeste mensen wel even leven. Éven dan. Want waar perspectief ontbreekt, wordt dromen deprimerend. En ligt stilstand op de loer. Dat moeten we te allen tijde voorkomen, en dat doen we samen. In élke gemeenschap, dus ook de academische, let je éxtra op de jongsten.

Erika had in dat licht mooie woorden. Ze zei, ik citeer:

‘Mijn collega’s en ik, wij passen ons wel aan, onze tijd komt wel weer. Ik maak me nu vooral zorgen om de studenten.’

Zó ken ik de Radboud Universiteit. En zó ken ik uw sociale stad.

Gelukkig heb ik tijdens mijn studie hier destijds zelf gezien hoe groot de veerkracht van Nederlanders tijdens een crisis is. Na de malaise van de jaren ’80 dienden de jaren ’90 zich aan. De samenleving werd wakker uit de winter die Lubbers beschreef, de economie bloeide weer op, jongeren vonden werk, en de wetenschap bewees opnieuw dat ze 1 van de drijvende krachten van de vooruitgang is.

Als die geschiedenis zich herhaalt, dan hebben we dat te danken aan de volharding van ons allemaal.

En dan staan Luke en haar studiegenoten over 4 of 5 jaar tijdens hun diploma-uitreiking, gewoon zij aan zij te proosten.

Ik wens u een gezond en leerzaam jaar toe, in goed gezelschap.

Dank u wel.

Publicaties